Veel beroepen kennen een vorm van permanente educatie. Wie geregistreerd wil blijven, moet aantonen dat hij bijblijft. Als opleider kun je daarop aansluiten. Daar zit één regel onder die alles bepaalt: de punten zijn niet van jou.
Wie de punten toekent
Een beroepsvereniging of een register stelt vast welke scholing meetelt en hoeveel die waard is. Jij vraagt dat aan, zij besluiten. Tot dat besluit er ligt, heb je geen punten en mag je er ook geen noemen.
Dat lijkt vanzelfsprekend en het gaat toch vaak mis. Een training wordt aangekondigd met "6 PE-punten" omdat de dag zes uur duurt. Als de vereniging er daarna vier van maakt, of nul, zit je met een belofte die je niet waarmaakt. Beweren dat je aanbod door een instelling is erkend of goedgekeurd terwijl dat niet zo is, staat op de zwarte lijst van misleidende handelspraktijken in artikel 6:193g van het Burgerlijk Wetboek.
Er is geen algemeen systeem
Dit is het lastigste deel om te accepteren: er bestaat geen landelijke regeling voor PE-punten. Elk register doet het anders.
De verschillen zitten in vrijwel alles. In de naam van de eenheid, want de een spreekt van punten, de ander van uren en de derde van studiebelastingsuren. In de vraag of een uur les één punt oplevert of dat er een weging overheen gaat. In de vraag of accreditatie vooraf nodig is of dat de beroepsbeoefenaar zelf mag onderbouwen wat hij heeft gevolgd. In de geldigheidsduur van een accreditatie. En in de manier waarop je aanwezigheid moet aanleveren.
Neem de advocatuur als voorbeeld van een uitgewerkt stelsel. Een advocaat moet jaarlijks minimaal twintig opleidingspunten behalen, waarvan ten minste de helft op juridisch gebied. Één netto uur onderwijs telt als één punt. De Nederlandse orde van advocaten beschrijft dat op de pagina over opleidingspunten. Andere beroepsgroepen kennen weer heel andere aantallen en voorwaarden.
De conclusie daaruit is niet dat je alle stelsels moet kennen. De conclusie is dat je nooit mag uitgaan van wat je bij een ander register hebt gezien.
Wat je zelf moet uitzoeken
Voor elke vereniging waar je aanbod voor bedoeld is, zoek je vijf dingen uit:
- Bestaat er een accreditatieprocedure en is die verplicht om mee te tellen.
- Wanneer moet de aanvraag binnen zijn. Bij veel registers kan het niet achteraf.
- Waarop wordt beoordeeld: inhoud, docent, toetsing, evaluatie.
- Hoe je presentie aanlevert en op welke termijn.
- Hoe lang de toekenning geldt en wat er gebeurt bij een nieuwe versie van je training.
Kun je die vragen niet beantwoorden uit openbare informatie, bel dan het bureau van de vereniging. Dat is sneller dan gokken en het voorkomt dat je deelnemers met lege handen staan.
PE-online
Veel registers gebruiken hetzelfde systeem voor accreditatieaanvragen en presentieverwerking. Als aanbieder maak je daarin een account aan, dien je per scholing een aanvraag in en geef je aan bij welke verenigingen je die aanvraag indient. Na afloop voer je in wie er aanwezig was, zodat de punten bij de deelnemers terechtkomen.
Dat een register in dat systeem zit, betekent niet dat de criteria hetzelfde zijn. Je dient bij elke vereniging apart in en elke vereniging beslist zelf. Hoe je zo'n aanvraag opbouwt staat in accreditatie aanvragen bij een beroepsvereniging.
Wat er op het certificaat mag
Is de accreditatie toegekend, zet dan op het document:
- De naam van de vereniging of het register waarvoor de toekenning geldt.
- Het aantal punten of uren, precies zoals toegekend.
- Het kenmerk of accreditatienummer.
- De periode waarin de accreditatie geldig is.
Wat je weglaat: een eigen berekening, een aantal "onder voorbehoud", of de suggestie dat de punten ook bij andere registers tellen. Ieder register beslist over zijn eigen deelnemers.
Vermeld daarnaast altijd de gewone gegevens van het certificaat. Zie wat er op een certificaat moet staan.
Wat je tegen deelnemers zegt
Wees eerlijk over wie waarvoor verantwoordelijk is. De deelnemer is zelf verantwoordelijk voor zijn herregistratie. Jij zorgt voor een correcte accreditatie en een tijdige verwerking van de presentie. Je vertelt erbij welke registratie je van hem nodig hebt.
Twijfel je of een bepaalde scholing bij een register meetelt, zeg dan dat de deelnemer dat bij zijn eigen vereniging navraagt. Dat is geen zwaktebod. Dat is het enige antwoord dat klopt, want de vereniging gaat erover en jij niet.